Onze scholen zijn vernoemd naar Gerbrand Adriaensz. Bredero, een beroemd Amsterdams kunstenaar. Bredero werd geboren op 16 maart 1585. Zijn geboortehuis stond in de Nes, in die tijd één van de drukste straten van Amsterdam. Zijn vader was schoenmaker en leerverkoper, maar handelde ook in huizen. Hij behoorde tot de gegoede burgerij en kon zijn zoon naar een behoorlijke school sturen. De schildersopleiding die Bredero daarna volgde, heeft weinig vrucht gedragen: er is geen schilderij van hem bekend. Zijn literaire belangstelling stond kennelijk in de weg. Bredero heeft zijn hele leven doorgebracht in het door hem zozeer geliefde Amsterdam, juist in een periode dat de stad haar Gouden Eeuw tegemoet ging. Na de val van Antwerpen (1585) werd Amsterdam een wereldhandelscentrum. Nog tijdens zijn leven verdrievoudigde zich haar bevolking.
Met trots, maar ook met zorg vervuld, beschreef Bredero de effecten daarvan in zijn toneelstukken, bijvoorbeeld in ‘De Spaanse Brabander’ (1617). Amsterdammer was voor hem een erenaam en hij betitelde zichzelf graag zo. In 1611 werd hij lid van de rederijkerskamer De Eglantier, waar hij datzelfde jaar met zijn eerste toneelstuk debuteerde. Bredero was een realist. Met zijn scherpe observatievermogen schilderde hij het dagelijkse leven van gewone mensen. Hij deed dat in hun eigen sappige volkstaal en met humor. Daarmee onderscheidde hij zich van ‘intellectuelere’ tijdgenoten als Hooft en Vondel.
Zijn dramatisch talent werd er niet minder om gewaardeerd en duizenden Amsterdammers hebben ervan genoten. Als dichter kreeg hij die erkenning pas na zijn dood, toen in 1622 zijn verzamelde gedichten werden gepubliceerd. Vrolijke liedjes, liefdesgedichten, maar ook serieuze poëzie completeren het beeld: een origineel kunstenaar, die ons de ogen opent voor de rijkdom van onze volkstaal, maar vooral een eerlijk en hartstochtelijk levend mens, die ons zonder valse pretenties met gevoelens en gedachten van alle tijden confronteert. Bredero ondertekende zijn werk vaak met de zinspreuk ‘t kan verkeren. Daarmee trachtte hij de wisselvalligheden van het lot, die hem zeker niet bespaard bleven, te relativeren. Maar waar het lot in noodlot verkeert, was hij machteloos: 23 augustus 1618, in de bloei van zijn leven, is hij plotseling overleden. En daarmee verloor Amsterdam haar meest Amsterdamse schrijver.


